Isolatieweerstand

In een huisinstallatie moet volgens het AREI de isolatieweerstand tussen de draden voldoende groot zijn (220kW bij 220V, 380kW bij 380V) (condensatie in buizen en toestellen kan o.a. een probleem zijn, )

In het labo kan je voor het meten van de isolatieweerstand het toestel voor een algemene netcontrole gebruiken: zie netmeter.

Een apart toestel levert je uitgebreidere en nauwkeurigere meetmogelijkheden:
Isolatieweerstand: bereiken 4 tot 4000 MΩ
Nauwkeurigheid 2 % + 2 digits tot 100,0 MΩ en 10 % + 2 digits + 1 %/1000 MΩ tot 4000 MΩ
Testspanningen 250 V, 500 V, 1000 V met een nauwkeurigheid +20 %, -0 % en nominale stroomsterkte 1 mA. Bijhorende OL(overload)- aanduidingen: 1000, 2000, 4000MΩ

Kleine weerstanden: bereiken van 0,1 tot 40Ω met een nauwkeurigheid 2 % + 2 digits en een kortsluitstroom 200 mA minimum.

Spanning: bereik 600 V, dc, 50/60 Hz met een nauwkeurigheid 2 % + 2 digits

Weerstand: bereik 4000Ω en een nauwkeurigheid 2 % + 2 digits

Pieptoon hoorbaar bij <30Ω of lager



1 spanning voor de functie isolatieweerstand.
2 Functie-indicator lage weerstand/weerstand.
3 Opgeslagen weerstandsmeetwaarde van de laatste meting in de functie isolatieweerstand of lage weerstand.
4 Pieptoonsymbool verschijnt als de pieptoonfunctie geactiveerd is in de functie weerstand.
5 Het nulteken licht op wanneer de meetkabels genuld zijn.
6 Hoofddisplay voor alle functies.
7 Analoog staafdiagram toont de weerstand op een logaritmische schaal en de spanning op een lineaire schaal. De meetwaarde volgt altijd de aflezing in het hoofddisplay.
8 Waarschuwingssymbool voor hoge spanning knippert wanneer er op de meetprobes een spanning van 30 V ac of dc staat.
9 De indicator voor de levensduur van de batterij verschijnt kort wanneer de meter voor het eerst in een functie wordt geschakeld. De indicator geeft de resterende batterijspanning weer in stappen van 25 %.
10 Het vergrendelingssymbool licht op wanneer de TEST-modus vergrendeld is in de functie isolatieweerstand of lage weerstand.


Let op: het toestel werkt met gevaarlijke spanningen dus:

-
Om elektrische schokken bij het uitvoeren van weerstandsmetingen te voorkomen, moet alle spanning op de door te meten stroomkring zijn uitgeschakeld.
- Om elektrische schokken te voorkomen moeten de meetkabels op de ingangen van de meter zijn aangesloten voordat een aansluiting op de te testen stroomkring tot stand wordt gebracht.
- Voor het meten van de isolatieweerstand is het nodig potentieel gevaarlijke spanningen op de stroomkring aan te leggen. Daarbij kunnen blootliggende, elektrisch geleidend verbonden metalen delen voorkomen.
- Verzeker u ervan dat de installatie juist is bedraad en de medewerkers
geen gevaar lopen, voordat u metingen verricht.

De LOCK-functie houdt de testspanning op de probes om langdurige testen uit te voeren.
Let bij het meten van de isolatieweerstand op: deze spanningen zijn gevaarlijk en als de probes losgemaakt worden kan de meter geen potentieel gevaarlijke capacitieve spanningen ontladen die mogelijk in de st
roomkring zijn achtergebleven.