Controle van een netaansluiting.

Inhoud
    -  eisen gesteld aan installatie
    -  meten met een netcontroletoestel
(testen differentieelschakelaar,
 aardingsweerstand,
 isolatieweerstand,
 lijnweerstand,
draaiveld,
PE-test,
frequentie,
L- en N-detectie
kleine weerstanden )
 
1 Eisen gesteld aan de installatie
 
Volgende kenmerken kunnen gecontroleerd worden.
- de aarding:  alle netgevoede toestellen (behalve klasse II) dienen geaard te kunnen worden.
De beveiligingsgeleider dient dus beschikbaar te zijn en de verspreidingsweerstand van de aarding dient klein genoeg te zijn. In huishoudelijke installaties moet hij zeker kleiner zijn dan 100W en best, voor een goedkopere installatie, kleiner dan 30W.
- Vermits afwezigheid of een onderbreking van de beveiligingsgeleider niet vaak leidt tot slechte functionering van toestellen dient dit bewust gecontroleerd te worden.
- Indien differentieelschakelaars gebruikt worden als beveiliging tegen onrechtstreekse aanraking dienen deze bij een voldoende kleine lekstroom op een voldoend kleine tijd uitgeschakeld te worden. De ‘test’-knop laat het toestel functioneren met een grote lekstroom en is dus geen test van de gevoeligheid (mA) van het toestel.
Een differentieelschakelaar mag niet uitschakelen bij een stroom kleiner dan de helft van de nominale verschilstroom IDn, moet uitschakelen bij een stroom groter dan IDn en mag uitschakelen tussen de helft van IDn en de volledige IDn.
- de isolatieweerstand tussen de draden dient voldoende groot te zijn (220kW bij 220V, 380kW bij 380V) (condensatie in buizen en toestellen, een slechte isolatie kan o.a. een probleem zijn, …)
- een kortsluiting dient zonder problemen uitgeschakeld te worden. De beveiligingstoestellen dienen een voldoend hoog onderbrekingsvermogen (kA) te hebben, waarvoor in de ontwerpfase moet gezorgd worden. (Huishoudelijk ligt dit vast op 3kA voor alle kringen en 6kA voor de hoofdautomaat.) Maar op het einde van de lijn dient de kortsluitstroom nog voldoende groot te zijn om de veiligheden ogenblikkelijk te laten werken m.a.w. de lijnweerstand dient voldoende klein te zijn (slechte contacten die in de loop der jaren ontstaan, …).
- het draaiveld van een driefasig stopcontact dient best rechts te zijn zodat geen draaizinproblemen ontstaan bij het aansluiten van een machine.
 naar begin document

2 Meten met een netcontroletoestel  (i.c. met de Go-mat van Norma)
 
* uittesten van differentieelschakelaars : vooreerst wordt gecheckt of de netspanning o.k. is, daarna laat men een gecontroleerde lekstroom naar aarde afvloeien :
Zo kan de onderbrekingsstroom, de onderbrekingstijd, de contactspanning van de PE op het moment van de fout, en de aardingsweerstand gemeten of berekend worden. De differentieelschakelaar kan getest worden op het wel-uitschakelen maar ook op het niet-uitschakelen.

* meten van de aardingsweerstand van toestellen : er wordt weer een lekstroom naar de PE-geleider veroorzaakt (de grootte is afhankelijk van het bereik) en via een probe die men nu extra moet aansluiten wordt de spanning over de aarding gemeten.
Dit is hetzelfde meetprincipe als van een gewone aardingsmeter.

*meten van de isolatieweerstand
(dit kan gebeuren tussen elk paar geleiders L-N-PE.
Vooreerst wordt gecontroleerd of de netspanning onderbroken is. Daarna genereert het toestel een gelijkspanning tot 500V tussen de draden en de isolatieweerstand wordt gemeten. Let op dat er geen toestellen meer op het net zijn aangesloten ! !
naar begin document

*meten van de lijnweerstand : vooreerst wordt ge
test of de voedingsspanning op staat.
 De netspanning wordt gemeten. Daarna belast het toestel het net en meet ondertussen weer de netspanning. Uit de spanningsdaling kan het toestel de lijnweerstand en dus ook de mogelijke kortsluitstroom berekenen. Voor een juiste meting zou het net in ‘rust’ moeten zijn, zodat ondertussen geen andere lasten aan of uit gaan.

*
nagaan van het draaiveld gebeurt door de volgorde van de nuldoorgangen van de lijnspanningen te controleren.
naar begin document

*meten van kleine weerstanden  gebeurt, na controle dat de weerstand spanningsloos is, met de VA-methode :
 

*PE-test : is de aardingspen van het stopcontact wel degelijk aangesloten aan de aardpotentiaal ?
Indien er een spanningsverschil van >66V bestaat tussen de PE-geleider en een persoon die het metalen contactoppervlak op het toestel aanraakt, licht het neon-lampje op en signaleert dat de PE niet is aangesloten.
 
*het meten van de frequentie gebeurt via een periodemeting

*welke aansluiting van het stopcontact is fase, welke de nulleider ? Dit wordt afgeleid uit spanningsmetingen t.o.v. de PE-geleider :
 
 
naar begin document