Positiemeting

In het labo maken we gebruik van relatieve, optische encoders: dit zijn schijfjes met lichtdoorlatende spleetjes die op de as bevestigd worden. Bij beweging zal een optische sensor detecteren hoeveel spleten er passeren en hieruit kan de verandering van positie (en eventueel het toerental) uit afgeleid worden.

1 lichtspleet zal bestaan uit 2 spleten die iets verschoven zijn t.o.v. mekaar zodat zij 2 elektrische signalen op 2 lichtsensoren doen ontstaan die 90 ten opzichte van mekaar verschoven zijn: het A- en B-signaal. Dit geeft enerzijds de mogelijkheid de bewegingszin hieruit af te leiden, maar anderzijds wordt het ook mogelijk uit 1 lichtpuls door de combinatie van de 2 signalen 4 lichtpulsen af te leiden (00,01,10,11). Men noemt dit kwadratuurpulsen en de meting van de positie wordt aldus 4x nauwkeuriger. Per omwenteling wordt door een apart spleetje 1 puls per omwenteling van de as gegenereerd: de I-puls of indexpuls wordt gebruikt bij het referentieaanrijden.


Voorbeeld van een relatieve optische encoder: ( machinegroep 14)


naar begin document