Meten van stromen.

Inhoud:   - Algemene opmerkingen
               - Principes
                * d.m.v. spanningsmeting over weerstanden
                        - meetweerstanden
                        - digitale toestellen (met ingebouwde meetweerstand)
                * d.m.v. opgewekte flux
                        - analoge toestellen
                        - stroomtransformatoren
                        - Hall-omzetters

                - Gebruik kortsluitschakelaars

                - Gegevens stroommeettangen

(andere links: signaalfactoren, indeling naar soort gemeten waarde, gegevens multimeters)

Algemene opmerkingen.

Indien in een kring met een stroommeting een kortsluiting ontstaat, kan dit natuurlijk verkeerd aflopen voor de stroommeter:
- het gevaar hangt af van de grootte van de kortsluitstroom: let dus vooral op bij kringen gevoed door het laagspanningsnet of door een accu
- indien je metingen verricht op kringen met een grote kortsluitstroom, dient het meetinstrument beveiligd te zijn met HOV-smeltveiligheden (Hoog OnderbrekingsVermogen smeltveiligheden).
- indien de meetomvormer een hall-element is of een stroomtransfo, kan de kern remanent gemagnetiseerd blijven, zodat je moet opletten voor de volgende metingen.

Principes

Stroom kan op basis van verschillende fenomenen gemeten worden. De meest gebruikelijke zijn:
-         warmte: de weinig gebruikte ‘hittedraadtoestellen’ meten de echte effectieve waarde
-         spanningsval: d.m.v. meetweerstanden kan een millivoltmeter de grootte van de stroom aanduiden.
-        
opgewekte flux: elke stroom wekt een evenredige flux op
    - Indien deze wisselend is (met niet te lage of te hoge frequentie), kan deze d.m.v. een stroomtransfo gemeten worden. Indien deze constant is of vervormd, kan deze d.m.v. een hall-element gemeten worden.
    - Deze flux kan een kracht opwekken samen met een andere flux : F= B.L.I
Indien deze hulpflux constant is, zal de kracht evenredig zijn met de gemiddelde waarde van de stroom. Dit kan d.m.v. een naald aangeduid worden: het zijn de zogenaamde draaispoelinstrumenten.
Indien deze hulpflux door de stroom zelf wordt opgewekt, zal de kracht evenredig zijn met het kwadraat van de stroom. Een kwadratische schaal en een uitmiddelende wijzer zal dan de ‘Root Mean Square’ waarde aanduiden: dit zijn de weekijzertoestellen.
 
De uitlezing kan op verschillende manieren gebeuren:
-         direct de stroomwaarde op een display. Welke waarde dit is (gemiddelde, effectieve alleen bij sinus, RMS, TRMS of zelfs ogenblikkelijke waarde) hangt af van het meetprincipe en de meetomvormer in het toestel.
-         een stroomuitgang  (een stroomtransformator heeft in principe steeds een stroomuitgang).
-         een spanningsuitgang (een meetweerstand, een stroomtransfo met een ingebouwde weerstand in de secundaire, een hall-element, een ingebouwde meetomvormer met spanningsuitgang): welke waarde uitgegeven wordt hangt af van het meetprincipe en de meetomvormer.
 
Andere criteria voor een indeling van stroommetingen:
-         heeft het toestel een batterij: een stroomtransfo of een analoog toestel heeft voor een stroommeting geen batterij nodig (sommige analoge ampèremeters hebben een actieve gelijkrichter en hebben dus wel een batterij nodig voor AC-metingen), terwijl een hall-meting of een display steeds een batterij nodig heeft.
-         is de polariteit van de aansluiting belangrijk: bij effectieve-waardemetingen zal dit niet zijn, bij ogenblikkelijke of gemiddelde-waardemetingen wel. Bij een stroomtransfo is de polariteit van aansluiting normaal niet belangrijk, doch indien  hij gebruikt wordt bij een vermogenmeting, zal de hoek tussen gemeten spanning en stroom belangrijk zijn en dus ook de wijze van aansluiting.
 
terug naar begin document