Het weglatingsteken.

Plaats een weglatingsteken waar het hoort.

Vul de antwoorden in op de voorziene plaats.Als je al de antwoorden hebt ingevuld, klik je op de controleerknop.

1. Hij is een krasse 70(er).

2. In die wijk staan alleen maar vill(aa)s.

3. Dat is de plaats van de hond, Max(zijn) hok.

4. Juffrouw Janssen geeft iedere week dict(ee)s.

5. Pap(aa)s jas hangt op de kapstok.

6. Dat zijn dan de twee defecte tv(s).

7. In de bergruimte staan veel burau(s).

8. Zo(ee)n kalender heb ik al gekregen.

9. Het woord "rabarber" bevat drie r(s).

10. Op de veemarkt stond een klein pon(y)tje.

11. Anna(s) kleren zijn in de wasmachine.

12. Meneer Vaesen heeft drie auto(s) in zijn bezit.

13. Niet in de morgen maar (s)avonds vertekken we.